De trompetklimmer (Campsis radicans) is een sterke klimplant die in ons klimaat prima tot zijn recht komt, mits hij op de juiste plek staat. Op een zonnige standplaats bloeit hij het rijkst, met grote oranje of roze trompetbloemen die veel insecten aantrekken. In de eerste jaren heeft de plant wat steun nodig. Leid de jonge scheuten langs een klimrek, pergola of gespannen draden, zodat hij zich goed kan hechten.
Qua onderhoud is de trompetklimmer eenvoudig. Snoei in het vroege voorjaar de lange scheuten terug om de plant compact te houden en nieuwe bloei te stimuleren. Verwijder in de zomer uitgebloeide trossen en leid sterke scheuten opnieuw in de gewenste richting.
De trompetklimmer groeit snel en kan in een paar jaar tijd een kale muur of pergola veranderen in een uitbundig bloemenfestijn. Met voldoende zon, wat steun en een jaarlijkse snoeibeurt blijft hij jarenlang een blikvanger in de tuin.

Het trommelstokje (Allium sphaerocephalon) is een kleinere soort sierui, maar zeker niet minder opvallend. De kegelvormige bloem, opgebouwd uit talloze karmijnroze bloemetjes, staat stevig op een slanke stengel en brengt structuur in de border. Deze Allium‑soort doet het goed in zonnige, goed doorlatende grond en vraagt weinig onderhoud. Na de bloei kun je de uitgebloeide bloemhoofden laten staan; ze geven nog weken een mooi silhouet.
Het trommelstokje combineert uitstekend met andere planten. Vooral siergrassen zoals Pennisetum en Stipa versterken het luchtige effect. Ook vaste planten zoals salvia, echinacea en duizendblad passen goed bij de fijne vorm van de Allium. Voor een lage, dichte onderlaag kun je bodembedekkers zoals vrouwenmantel of geranium gebruiken.
Door deze combinaties ontstaat een sterke, onderhoudsarme border met kleur, hoogteverschil en een lange bloeitijd.
